Dutch word origins
390 words
- aan
- achter
- af
- agent
- al
- alleen
- allemaal
- alles
- als
- alsjeblieft
- alsof
- altijd
- ander
- anders
- auto
- avond
- baby
- bang
- bed
- bedankt
- bedoelen
- beetje
- beginnen
- begrijpen
- bel
- belangrijk
- bellen
- beloven
- best
- betalen
- betekenen
- beter
- bij
- bijna
- binnen
- blij
- blijven
- bloed
- boven
- brengen
- broer
- buiten
- daar
- daarom
- dag
- dagen
- dan
- dank
- dat
- de
- denken
- deur
- deze
- die
- ding
- dingen
- dit
- dochter
- doden
- doen
- dokter
- dollar
- dood
- door
- dragen
- drie
- drinken
- druk
- duidelijk
- dus
- echt
- een
- eens
- eerder
- eerst
- eerste
- eigen
- eigenlijk
- elk
- elkaar
- en
- er
- erg
- ergens
- eruit
- eten
- even
- familie
- fijn
- foto
- fout
- gaan
- gebeuren
- gebruiken
- geen
- geheim
- gek
- geld
- geleden
- gelijk
- geloof
- geloven
- gelukkig
- genoeg
- geven
- geweldig
- gewoon
- god
- goed
- graag
- groot
- haar
- halen
- hallo
- hand
- hart
- hé
- hebben
- heel
- heen
- heer
- heet
- helemaal
- helpen
- hem
- hen
- herinneren
- het
- hetzelfde
- hier
- hij
- hoe
- hoeveel
- hoeven
- hoi
- hoofd
- hoop
- hoor
- horen
- houden
- huis
- hulp
- hun
- idee
- ie
- iedereen
- iemand
- iets
- ik
- in
- ja
- jaar
- je
- jij
- jongen
- jou
- jouw
- juist
- jullie
- kamer
- kans
- kant
- keer
- kennen
- kijk
- kijken
- kind
- klaar
- klein
- klinken
- kloppen
- komen
- kopen
- krijgen
- kunnen
- land
- lang
- laten
- lekker
- leren
- leuk
- leven
- lezen
- lichaam
- lief
- liggen
- lijken
- lopen
- luister
- maand
- maar
- maken
- man
- manier
- mee
- meer
- meest
- meisje
- meneer
- mens