Dutch word origins
390 words
- met
- mevrouw
- mij
- mijn
- minuut
- mis
- misschien
- moeder
- moeilijk
- moeten
- mogelijk
- mogen
- moment
- mooi
- morgen
- na
- naam
- naar
- nacht
- natuurlijk
- nee
- nemen
- net
- niemand
- niet
- niets
- nieuw
- niks
- nodig
- noemen
- nog
- nooit
- nou
- nu
- of
- ogen
- oké
- om
- omdat
- onder
- ons
- ontmoeten
- ooit
- ook
- op
- open
- orde
- oud
- over
- paar
- pak
- pakken
- pas
- pijn
- plaats
- plan
- plek
- politie
- praat
- praten
- precies
- prima
- proberen
- probleem
- redden
- rijden
- rustig
- samen
- schat
- schieten
- school
- schrijven
- schuld
- sinds
- slapen
- slecht
- snel
- soms
- soort
- sorry
- spelen
- spijt
- spreken
- staan
- stad
- steeds
- stel
- sterven
- stop
- stoppen
- stuk
- sturen
- te
- tegen
- terug
- thuis
- tijd
- toch
- toe
- toen
- tot
- tussen
- twee
- uit
- uur
- uw
- vader
- vallen
- van
- vanavond
- vandaag
- vast
- veel
- veilig
- veranderen
- verder
- vergeten
- verhaal
- verkeerd
- verliezen
- vermoorden
- vertellen
- vertrouwen
- vier
- vijf
- vinden
- voelen
- vol
- volgen
- volgens
- vond
- voor
- voordat
- vraag
- vragen
- vriend
- vriendin
- vrij
- vroeg
- vrouw
- waar
- waarheid
- waarom
- waarschijnlijk
- wacht
- wachten
- wanneer
- want
- wapen
- wat
- water
- week
- weer
- weg
- wel
- welk
- wereld
- werk
- werken
- weten
- wie
- wij
- willen
- winnen
- wonen
- woord
- worden
- zaak
- zat
- ze
- zeggen
- zeker
- zelf
- zelfs
- zet
- zich
- zien
- zijn
- zit
- zitten
- zo
- zoals
- zodat
- zoek
- zoeken
- zonder
- zoon
- zorgen
- zoveel
- zullen